Onderhandelaarsakkoord

Voor welke sectoren geldt dit akkoord nu precies?

Dit akkoord geldt voor alle sectoren waar de medewerkers hun pensioen opbouwen bij ABP. Alleen werken sommige effecten anders uit.

a. Welke effecten gelden voor iedereen?

De overeenkomst over de loonruimte voor de publieke sector bevat twee nieuwe afspraken over het ABP-pensioen. Deze afspraken raken in beperkte mate ook de gepensioneerde leden:

1. Vanaf 1 januari 2016 wordt het de ambitie de pensioenen aan te passen aan de prijzen in plaats van aan de lonen (prijsindexatie in plaats van loonindexatie).
2. Er worden tot 1 januari 2021 geen structurele premieopslagen geheven bovenop de verplichte kostendekkende premie.
De voornaamste gevolgen:

Lagere pensioenpremie, de vrijval aan werkgeverskant wordt vertaald in een structurele loonsverhoging van 1,4% (dit geldt in ieder geval voor alle overheids- en onderwijswerkgevers).

Afhankelijk van de sector waar je werkt is de besteding wel of niet vastgelegd (zie verderop).
De werknemer houdt, door de lagere premie, in 2016 gemiddeld per maand netto iets meer over, ongeveer 0,5% (afhankelijk van je salaris)

b. Welke effecten werken anders uit?

De vrijvallende financiële middelen als gevolg van de lagere pensioenpremie bij het ABP zijn voor een deel van de sectoren onderdeel van een breder pakket. Voor andere sectoren geldt alleen de 1,4%, naast de eigen cao-afspraken. Voor de werkgevers die wel onder ABP vallen, maar niet bij het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO) zijn aangesloten, zal de vertaling naar loonruimte aan de CAO-tafel uit onderhandeld moeten worden. Zie voor meer toelichting hieronder.

Ik werk bij: Rijk, Defensie, Politie, Rechterlijke Macht (kabinetssectoren)

In de periode 2015-2016 stijgt het loon in totaal met 5,05%.

Om te beginnen vindt in september 2015 een structurele loonstijging van 1,25% plaats en wordt eenmalig een bedrag van 500 euro bruto uitgekeerd.
Het aanpassen van de pensioenregeling en het schrappen van de premieopslag leidt tot een loonruimte van 1,4% die vanaf 1-1- 2016 volledig wordt uitgekeerd als structurele loonstijging.

Daarnaast kennen de werkgevers een extra structurele loonstijging toe van 1,6% vanaf 1-1-2016.
Samen 3% structurele loonstijging vanaf 1-1-2016.

Verder is of wordt, afhankelijk van de sector waarin je werkt, in 2015 het loon structureel met 0,8% verhoogd. Dit komt uit een eerdere afspraak uit 2014 waarbij de ABP-pensioenregeling moest worden aangepast aan de wettelijk opgelegde versobering van de pensioenopbouw.

De aanpassing van het ABP-pensioen zorgt ervoor dat je als werknemer minder premie afdraagt. Hierdoor verbetert het nettoloon met ongeveer 0,5%, afhankelijk van de hoogte van je salaris en de verdere premieontwikkeling.
Het bovenstaande vindt je samengevat in de tabel. Klik hier voor de tabel

Ik werk in het onderwijs: PO, VO, MBO, HBO en WO

Hiervoor geldt hetzelfde als voor de kabinetssectoren. Er zijn wat specifieke gevolgen afhankelijk van de stand van het cao-overleg:

Primair Onderwijs

In het PO was al een tijdelijke afspraak gemaakt over de besteding van de vrijval van de pensioenpremie in 2015. Deze vrijval levert voor het PO 0,72% loonruimte op. Daarmee wordt in 2015 een eenmalige verhoging van de uitkering op de Dag van de Leraar gefinancierd met €328 (van € 200 naar €528). Deze afspraak blijft staan.

Daarbovenop komt er in 2015 een structurele salarisverhoging van 1,25% per 1 september én een eenmalige uitkering van €500 bruto (bij een volledige betrekking) in september.
In 2016 komt er extra ruimte voor een structurele salarisverhoging vanaf 1 januari met 3%. Daarvan komt 1,4 procentpunt uit een lagere pensioenpremie. Samen met de nog structureel te besteden vrijval van de pensioenpremie 2015 kan het salaris vanaf 1 januari 2016 met 3,72% omhoog.
Daarnaast verbetert het netto loon vanaf 1 januari 2016 met ongeveer 0,5%, doordat het werknemersdeel van de pensioenpremie omlaag gaat.

Voortgezet onderwijs en Middelbaar Beroepsonderwijs

In het VO en MBO is de vrijval van de pensioenpremie in 2015 nog niet besteed in een nieuwe cao. Dat betekent dat er daaruit nog ruimte is voor een salarisverhoging van ongeveer 0,8% met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015.
Daarbovenop komt er in 2015 een structurele salarisverhoging van 1,25% per 1 september én een eenmalige uitkering van €500 bruto (bij een volledige betrekking) in september.
In 2016 komt er extra ruimte voor een salarisverhoging vanaf 1 januari met 3%. Daarvan komt 1,4 procentpunt uit een lagere pensioenpremie.
Daarnaast verbetert het netto loon vanaf 1 januari 2016 met ongeveer 0,5%, doordat het werknemersdeel van de pensioenpremie omlaag gaat.

Hoger Beroepsonderwijs

Ook het personeel in het HBO krijgt over de periode 2015-2016 een salarisverhoging van 5,05% en een eenmalige uitkering van €500 (bij een volledige betrekking) in 2015. Maar in het HBO is er al een nieuwe cao met salarisverhogingen per 1 december 2014 met 2% en per 1 december 2015 met 1%. En in augustus 2015 wordt er al een eenmalige uitkering toegekend van € 475,-

De eenmalige uitkering in 2015 zal in september worden aangevuld tot €500 bruto (dus €25 extra). En er zal vanaf 1 januari 2016 1,4% extra loonruimte ontstaan vanwege een lagere pensioenpremie in 2016. Daarbovenop wordt nog extra loonruimte toegekend om er voor te zorgen dat de totale salarisverbetering over 2015-2016 op 5,05% uitkomt.
Daarnaast verbetert het netto loon vanaf 1 januari 2016 met ongeveer 0,5%, doordat het werknemersdeel van de pensioenpremie omlaag gaat.

Universiteiten/WO

Het personeel op universiteiten krijgt over de periode 2015-2016 een salarisverhoging van 5,05% en een eenmalige uitkering van €500 (bij een volledige betrekking) in 2015. Maar bij de universiteiten is er al een nieuwe cao van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016,
met salarisverhogingen van 2,0% per 1 januari 2015 en 1,0% per 1 januari 2016. Beiden structureel.
De al toegekende salarisverhoging in 2016 wordt verhoogd naar 1,6 procent, waardoor in 2016 de structurele salarisverhoging ook op 3 procent uitkomt.
Daarnaast verbetert het netto loon vanaf 1 januari 2016 met ongeveer 0,5%, doordat het werknemersdeel van de pensioenpremie omlaag gaat.

Ik werk bij Gemeenten, Provincies, Waterschappen, UMC, Onderzoeksinstellingen

Het geld dat vrijkomt als gevolg van de ABP-maatregelen wordt per 1 januari 2016 omgezet naar een structurele loonstijging. Dit is dus 1,4%.
Verder is of wordt, afhankelijk van de sector waarin je werkt, in 2015 het loon met 0,8% verhoogd. Dit komt uit een eerdere afspraak uit 2014 waarbij de ABP-pensioenregeling moest worden aangepast aan de wettelijk opgelegde versobering van de pensioenopbouw.
Bij de Gemeenten zijn er over deze 0,8% onlangs afspraken gemaakt. Bij de Provincies is deze opgenomen in de loonstijgingen in 2015 en bij de Waterschappen en Onderzoeksinstellingen is de 0,8% als loonstijging toegekend per 1 januari 2015.
De aanpassing van het ABP-pensioen zorgt ervoor dat je als werknemer minder premie afdraagt. Daardoor hou je vanaf 2016 afhankelijk van je salaris ongeveer 0,5% meer over (dit is deels afhankelijk van de verdere premieontwikkeling).

Ik werk bij Productie en leveringsbedrijven, Netwerkbedrijven, Afval en Milieu, Waterbedrijven, Ambulance, Havenbedrijven, Loodswezen, KEMA

De veranderingen in de ABP-pensioenregeling zorgen ervoor dat de werkgeversbijdrage in de premie vanaf volgend jaar daalt. In de overeenkomst is voor deze werkgevers niet afgesproken dat dit geld ten goede moet komen aan het loon of andere arbeidsvoorwaarden, omdat zij niet zijn aangesloten bij de werkgeversorganisatie waarmee dit akkoord gesloten wordt. Uiteraard willen we hier wel afspraken over maken aan de cao-tafel.

De aanpassing van het ABP-pensioen zorgt ervoor dat je als werknemer ook minder premie afdraagt. Daardoor hou je vanaf 2016 afhankelijk van je salaris ongeveer 0,5% meer over (dit is deels afhankelijk van de verdere premieontwikkeling).

Wat betekenen deze veranderingen voor de financiële positie van ABP?

De verlaging van de pensioenpremie door de overstap naar prijsindexatie en het niet heffen van een premieopslag hebben een heel licht negatief effect op de dekkingsgraad van samen ongeveer 0,3 procentpunt per jaar. De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van het ABP en de pensioenverplichtingen. De verwachte hersteltermijn neemt daarmee iets toe (van 8,9 naar 9,9 jaar).

Is dit opnieuw een greep uit de ABP-kas net als in de jaren tachtig en negentig?

Nee, er wordt geen geld aan het bestaande vermogen van het ABP onttrokken. Dat is trouwens in de jaren tachtig en negentig ook niet gebeurd.
Wel was het ABP toen nog een overheidsorganisatie. Vakbonden hadden weinig zeggenschap. De kabinetten uit die tijd stelden de pensioenpremie ver onder kostendekkend niveau vast. De Tweede Kamer ging akkoord. Nu blijft de premie volledig kostendekkend.
Een ander verschil is dat nu de veranderingen bij het ABP (zie vraag 1) geld opleveren dat op verschillende manieren in de sectoren (zie vraag 1) in de vorm van loonruimte terugkomt of kan terugkomen. Het directe effect op de pensioenregeling is klein voor wat betreft de indexatie. De werkenden krijgen door de verlaging van de indexatieambitie mogelijk te maken met minder pensioenopbouw. Waarbij de effecten kleiner zijn naarmate men dichter bij de pensioenleeftijd zit. Dit effect wordt tevens gedempt door de salarisverhogingen uit deze overeenkomst, omdat die zorgen voor een groter pensioengevend salaris.

Wat gebeurt is dat de premie voor toekomstige pensioenopbouw wordt verlaagd, omdat voor een lagere ambitie van koopkrachtbehoud wordt gekozen. Deze ambitie wordt normaal gerealiseerd door een indexatie op het pensioen, aanvullend op de pensioenopbouw.
Deze indexatie heeft echter al jaren niet plaats gevonden en gaat in de komende jaren waarschijnlijk ook niet plaats vinden. Vandaar dat wij ons hebben afgevraagd of deze ambitie nog reëel is, en nu dus niet te veel premie wordt betaald voor een onhaalbare ambitie. Dit zegt niets over de pensioenopbouw op basis van het salaris en is geen greep uit het vermogen van het ABP.

Welke gevolgen heeft de overeenkomst voor de gepensioneerden?

De indexatie verandert naar de toekomst toe van loon naar prijsindexatie (zie voor meer informatie vraag 6). De daaruit voortvloeiende premieverlaging plus de afspraak om tot 2021 de premie wel kostendekkend vast te stellen maar niet te belasten met een structurele opslag, werken door in het tempo waarin ABP pensioenfonds weer financieel gezond wordt. Het effect van de overgang van loon naar prijsindexatie plus het afzien van een premieopslag tot 2021 betekent een ongeveer 0,3 procentpunt lagere dekkingsgraad per jaar. Aan de andere kant mag door de overgang naar prijsindexatie iets sneller volledig geïndexeerd worden, hetgeen gunstig is.

Die 0,8% was toch al binnengehaald bij het ABP akkoord 2014, waarom zie ik die nu weer terug?

De 0,8 is vorig jaar inderdaad al afgesproken als verhoging van het loon in het ABP-akkoord, dat ging over het doorvoeren van de wettelijk opgelegde lagere pensioenopbouw. Voor de volledigheid is het hier weer genoemd om een compleet beeld te geven van de loonontwikkeling 2015-2016. Ook waren sommige sectoren nog niet tot uitbetaling overgegaan. De 0,8% is overigens een gemiddelde en kan in sommige sectoren iets lager uitvallen.

Wat betekenen de begrippen loonindexatie en prijsindexatie?

Het ABP heeft de ambitie de pensioenen hun waarde te laten behouden over de jaren heen. Dit betekent voor werkenden en gepensioneerden dat het pensioen in principe elk jaar een stukje wordt verhoogd om gelijk op te blijven lopen met de stijging van de lonen of de prijzen. Op dit moment is de ambitie welvaartsvastheid, dus loonindexatie. De pensioenen zouden elk jaar verhoogd moeten worden met de gemiddelde loonstijging van de sectoren die bij ABP zijn aangesloten. Een overgang naar prijsindexatie betekent dat de pensioenen elk jaar verhoogd moeten worden met de gemiddelde stijging van de prijzen, ook wel inflatie genoemd. Zo blijft het pensioen zijn waarde behouden.
(De ambitie om te indexeren is helaas al jaren niet waargemaakt bij het ABP, door de financiële positie van het fonds. Ook voor de komende jaren lijkt indexatie niet haalbaar).

Wat betekenen de veranderingen van deze overeenkomst voor de indexatie?

Op de heel korte termijn zijn er geen gevolgen. Gedeeltelijke indexatie is door de strenge wettelijke regels pas mogelijk bij een dekkingsgraad boven de 110%. Dat blijft zo. ABP is daar helaas nog ver van verwijderd.
Op de iets langere termijn kan de feitelijke indexatie mogelijk zelfs iets verbeteren. Dit komt omdat de dekkingsgraad waarbij volledig mag worden geïndexeerd (en waarboven na-indexatie mogelijk wordt) door de overstap naar prijsindexatie een behoorlijk stuk lager komt te liggen. Maar het hangt er ook vanaf of de prijzen dan wel de lonen harder stijgen vanaf het moment dat ABP weer een dekkingsgraad heeft van boven de 110%.

Prijsindexatie zou op lange termijn ongunstiger kunnen zijn dan loonindexatie. Tenminste als je ervan uitgaat dat de lonen gemiddeld genomen sneller zullen stijgen dan de prijzen. Maar dit is al lange tijd juist omgekeerd. Tussen 2000 en 2015 bedroeg de cumulatieve looninflatie 35,6% en de cumulatieve prijsinflatie 38,7%.

In de komende jaren zal open en reëel overleg worden gevoerd over een houdbare pensioenambitie voor de lange termijn. De pensioenfondsen staan, los van deze overeenkomst, aan de vooravond van een herziening met als doel de pensioenen toekomstbestendig te maken, dat wil zegen: betaalbare en betrouwbare uitkeringen verstrekken. Daarbij wordt de mogelijkheid om weer terug te keren naar loonindexatie nadrukkelijk opengehouden. CNV Connectief blijft zich natuurlijk hard maken voor een zo spoedig mogelijke invoering van andere pensioenregels en een vernieuwd pensioencontract, waardoor het perspectief op indexatie fors kan verbeteren. Dat vereist een integrale herziening van de ABP-pensioenregeling. Je kunt dat niet via een overeenkomst als deze bereiken.

Wanneer kan ABP weer volledig indexeren?

Daar valt nauwelijks wat van te zeggen. Hoe snel de dekkingsgraad kan herstellen is onder de huidige regels vooral sterk afhankelijk van een stijging van de rente. De dekkingsgraad waarbij volledige indexatie mogelijk is (en waarboven na-indexatie kan plaatsvinden) fluctueert ook enigszins met de rente. Door overstap naar prijsindexatie komt deze grens in elk geval substantieel lager te liggen (circa 4 tot 5 procentpunt). Dat is dus een positief effect.

Is het juridisch mogelijk om voor reeds ingegane pensioenen (dus voor de gepensioneerden) de toekomstige indexatieambitie te veranderen van loon naar prijsindexatie?

Ja, naar de toekomst toe kan de verandering voor nieuwe en reeds opgebouwde pensioenaanspraken worden doorgevoerd. De al bestaande indexatieachterstand blijft dus gebaseerd op loonindexatie.

Wat is er afgesproken over sectorale ouderenregelingen en andere secundaire arbeidsvoorwaarden?

In deze overeenkomst zijn geen afspraken gemaakt over aanpassingen van sectorale arbeidsvoorwaarden, zoals ouderenregelingen. Meestal worden door de werkgever gewenste versoberingen gekoppeld aan loonstijgingen. Door deze bovensectorale overeenkomst valt deze uitruil voor de periode 2015-2016 weg. Voor de Rijkssector lag bijvoorbeeld een wens van de minister op tafel om de ouderenregeling (PAS) af te schaffen. Deze wens is wat ons betreft voor de looptijd van deze afspraken van tafel.

Waarom staat er in het akkoord een opening om terug te keren naar de loonindexatie in plaats van de prijsindexatie? Is loonindexatie dan toch niet het beste?

Algemeen wordt aangenomen dat loonindexatie meer oplevert dan prijsindexatie omdat naar verwachting de lonen harder stijgen dan de prijzen. In de afgelopen jaren ging dat niet op, maar dat zegt niets over de toekomst. In de komende jaren zal open en reëel overleg worden gevoerd over een houdbare pensioenambitie voor de lange termijn. Over hoe de toekomstige pensioenregelingen er uit komen te zien zijn nu slechts vage beelden te geven. Daarom is het van belang in de overeenkomst nadrukkelijk vast te leggen dat het mogelijk is om weer terug te keren naar loonindexatie.

Waarom staat er in het akkoord een opening om een extra premieverhoging toe te staan? Is het dan niet gewoon slecht voor mijn pensioen om die niet structureel te maken?

De dekkingsgraad van ABP is een verhouding tussen pensioenvermogen en pensioenverplichtingen. Bij een dekkingsgraad van bijvoorbeeld 105% heeft het pensioenfonds voor elke euro pensioenverplichtingen 1,05 euro beschikbaar. De dekkingsgraad is momenteel ongeveer 102%. Als de dekkingsgraad verder zou dalen moet het ABP forse maatregelen nemen, zoals het korten van de pensioenen. In dat geval is afgesproken dat alsnog een extra verhoging van de premie mogelijk is. De premie is en blijft een bot instrument om de dekkingsgraad te beïnvloeden. Een vol procent extra premie levert na een jaar nog geen 0,1 procentpunt hogere dekkingsgraad op. De huidige premie is vooral bedoeld voor de toekomstige pensioenopbouw van werkende ABP-deelnemers.

Is deze overeenkomst een ‘sigaar uit eigen doos’?

Nee. Wel komt een deel van de loonsverhoging uit een verlaging van het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Dit geldt voor de 1,4% die beschikbaar komt door de overgang van loon naar prijsindexatie en door het schrappen van de premieopslag. En het geldt voor de ongeveer 0,8% uit het akkoord van 2014, voor zover die nog niet is toegekend.
Voor de kabinetssectoren en de onderwijssectoren geldt echter ook dat daar aanvullende loonstijgingen in procenten en euro’s bij komen die los staan van de pensioenpremie.
Voor de voormalige overheidssectoren (niet aangesloten bij het VSO) geldt dat de 1,4% net als de 0,8% van vorig jaar niet automatisch in loon wordt omgezet. In deze sectoren of bedrijven moet apart onderhandeld worden over besteding van de middelen die vrijkomen als gevolg van de lagere pensioenlasten.

Waarom worden de pensioenen niet eindelijk eens geïndexeerd?

Om de indexatie te kunnen herstellen moet er veel meer gebeuren dan met deze overeenkomst mogelijk is. Op de korte termijn heeft het akkoord voor de indexatie, of het uitblijven daarvan, geen gevolgen. Gedeeltelijke indexatie is door de strenge wettelijke regels pas mogelijk bij een dekkingsgraad boven de 110%. Dat blijft zo. ABP is daar helaas nog ver van verwijderd. Eind mei was de dekkingsgraad nog geen 102%. De premies verhogen om daarmee indexatie mogelijk te maken is een onbegaanbare weg. Een vol procent premiestijging levert na een jaar nog geen 0,1 procentpunt verbetering van de dekkingsgraad op zodat de premie tot absurde hoogten zou moeten stijgen wil dat zoden aan de dijk zetten.

Op de iets langere termijn kan de feitelijke indexatie met de overstap naar prijsindexatie mogelijk zelfs iets verbeteren. Dit komt omdat de dekkingsgraad waarbij volledig mag worden geïndexeerd (en waarboven na-indexatie mogelijk wordt) door de overstap naar prijsindexatie een behoorlijk stuk lager komt te liggen (naar schatting 4 tot 5 procentpunt). Maar het hangt er ook van af of de prijzen dan wel de lonen harder stijgen vanaf het moment dat ABP weer een dekkingsgraad heeft van boven de 110%.
Voor de goede orde: vanaf 110% mag er begonnen worden met gedeeltelijke indexatie. Volledige indexatie is pas mogelijk bij een veel hogere dekkingsgraad. Om die onder de huidige regels te bereiken is een lange weg. Wij blijven ons daarom hard inzetten voor andere pensioenregels, die ruimte bieden aan het beter waarmaken van onze indexatie-ambitie.

Waarom gebeurt er niets voor de Sociale Werkvoorziening?

Deze overeenkomst heeft betrekking op de sectoren die voor hun pensioen onder het ABP vallen en is gesloten met de overheidswerkgevers. De SW heeft een eigen werkgeversdelegatie en een eigen pensioenfonds. Wij zijn daar actief om tot een nieuwe cao te komen die inderdaad erg lang op zich laat wachten. Zie voor een stand van zaken: Sociale-Werkvoorziening.

Wordt de overeenkomst nog aan de leden voorgelegd?

Ja. Hierover word je geïnformeerd. In ieder geval kunnen alle leden die deelnemer zijn bij het ABP en onze gepensioneerden stemmen. We houden ook twee informatiebijeenkomsten. Op 23 juli en 18 augustus van 14.30 tot 16.30 in het CNV-kantoor aan de Tiberdreef in Utrecht.

Waarom krijgt mijn sector (Gemeenten, Provincies, Waterschappen, UMC’s en Onderzoeksinstellingen) veel minder dan Rijk, Defensie, politie en Onderwijssectoren?

Omdat deze werkgevers daar via deze weg geen afspraken over wilden maken, meestal omdat er al of nog een CAO loopt. Deze werkgevers hebben hier ook een eigenstandige positie in en kunnen niet simpelweg vanuit de kabinetssectoren worden aangestuurd. De 1,4% daling van de pensioenpremie komt wel en daarvan is afgesproken dat die direct en volledig wordt doorvertaald naar het loon per 1 januari 2016. Verder is in het akkoord vastgelegd dat de mogelijkheid blijft bestaan om daar bovenop aanvullende loonafspraken te maken. De 1,4% is dus geen excuus om verder niets te doen.

In de kabinetssectoren krijgen we 5,05% over 2 jaar, waarvan 0,8% en 1,4 % ook uit het werkgeversdeel van de pensioenpremie komt. Dan blijft 2,85% over. Wat moeten we daar nog voor inleveren?

Vooral in de rijkssector speelt de mogelijkheid van sectorale versoberingen op arbeidsvoorwaarden omdat de werkgever geen CAO wil sluiten zonder die te realiseren. Omdat de salarisstijgingen uit deze overeenkomst bovensectoraal zijn afgesproken is er geen enkele reden meer om bijvoorbeeld sectoraal versoberingen te accepteren om tot een CAO te komen. Hiermee zijn in feite de versoberingsvoorstellen van de baan tot het einde looptijd van deze afspraak (eind 2016).

Ik werk niet bij de overheid en niet in het onderwijs maar bij een bedrijf waar wij wel bij ABP ons pensioen opbouwen. Wat is er voor ons afgesproken?

Voor u geldt dat de indexatie van uw pensioenregeling wijzigt van loon naar prijsindexatie (zie vraag 1) en dat de pensioenpremie tot 2021 niet wordt verhoogd met een opslag. U betaalt als werknemer vanaf volgend jaar wat minder pensioenpremie. Dat kan in uw nettoloon ongeveer 0,5% schelen, afhankelijk van de hoogte van uw salaris. De daling van het werkgeversdeel van de premie met 1,4% wordt niet automatisch in de vorm van een hoger loon uitgekeerd. Dit in tegenstelling tot de overheids- en onderwijssectoren waar dat wel is afgesproken.
Er zijn heel veel instellingen en bedrijven bij ABP aangesloten. Het punt is dat uw werkgever niet deel uitmaakte van de werkgevers die aan tafel zaten, zodat we met hen geen bindende afspraken konden maken. Uiteraard gaan we er alles aan doen om ook voor uw sector of bedrijf te realiseren dat het vrijvallende pensioengeld van de werkgever omgezet wordt in een structurele loonsverhoging. Vorig jaar hadden we dezelfde situatie na het akkoord over de doorwerking van wettelijk opgelegde bezuinigingen bij het ABP. Toen viel er ongeveer 0,8% voor de loonruimte vrij.

We hebben in de rijkssector al jaren geen CAO en dus een nullijn. Nu 500,- erbij, had dat bedrag niet hoger gekund? Is het trouwens bruto of netto?

Het bedrag is bruto. 500,- is inderdaad geen vetpot voor de periode van de nullijn. Onze inzet zat rond de 1000,-. Wij hopen dat met de 3,0% loonstijging voor 2016 overzicht bij vraag 1) een begin wordt gemaakt met het inhalen van de opgelopen achterstand.

{"single_open":"true","transition_speed":"300"}